De regels qua BTW-voorschotten voor kwartaalaangevers

De regels qua BTW-voorschotten voor kwartaalaangevers

BTW-plichtigen die slechts één keer per kwartaal een BTW-aangifte moeten indienen, zijn ook verplicht om BTW-voorschotten te betalen. Een kort overzicht van de regels.

De basis van de BTW-voorschotten ligt bij de BTW-aangifte van het vorige kwartaal. Diende u volgens deze aangifte een bedrag te betalen, m.a.w. wanneer het saldo in vak 71 van de aangifte staat, dan moet u uiterlijk de 20ste dag van de tweede en de derde maand van elk kwartaal een BTW-voorschot betalen(art. 19 KB nr. 1 van 29.12.1992). Is de 20ste van de maand een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de deadline verschoven naar de eerstvolgende werkdag.

Nemen we een voorbeeld. U diende volgens de aangifte over het eerste kwartaal een bedrag te betalen van 1.000 EUR. Dan moet u voor het tweede kwartaal een voorschot betalen voor uiterlijk 20 mei en 20 juni.

Is er volgens de aangifte van het eerste kwartaal een bedrag terug te krijgen, dan hoeft u geen voorschot te betalen op 20 mei en 20 juni.

Hoeveel dient u te betalen als voorschot? Het voorschot is in principe gelijk aan 1/3 van het bedrag dat in vak 71 van de BTW-aangifte over het vorige kwartaal is vermeld. In ons voorbeeld moet u dus voor 20 mei en voor 20 juni telkens een voorschot betalen van 334 EUR.

Wanneer u echter nog een BTW-tegoed heeft en u vraagt dit niet terug, dan mag u dit tegoed altijd verrekenen met de te betalen voorschotten. Hernemen we ons voorbeeld. We houden hierbij ook nog eens rekening met het feit dat er uit de afrekening van het eerste kwartaal een BTW-tegoed van 400 EUR blijkt omdat we in de maanden februari en maart telkens een voorschot hadden moeten betalen van 700 EUR. Het tegoed is onvoldoende om terug te vragen, maar we kunnen dus dit wel verrekenen met de voorschotten. Voor de maand mei moet u geen voorschot betalen omdat het tegoed van 400 EUR groter is dan het voorschot van 334 EUR. Het resterende BTW-tegoed (400 – 334 = 66 EUR) kunnen we verrekenen met het voorschot van juni en dan hoeft u slechts 334 – 66 = 268 EUR betalen.

Uit het voorbeeld blijkt dus dat de BTW-voorschotten altijd zullen verrekend worden met de uiteindelijke aangifte over het kwartaal. Maar u dient er wel rekening mee te houden dat voor de bepaling of u BTW-voorschotten moet betalen of niet u dus effectief moet kijken of er een vak 71 op de aangifte is ingevuld. Het feit dat u een BTW-tegoed heeft bij de afrekening betekent dus niet automatisch dat u vrijgesteld bent van het betalen van BTW-voorschotten.

Wanneer u deze voorschotten niet betaald, dan rekent de BTW-administratie een nalatigheidsintrest van 0,8% per maand aan, op voorwaarde dat de verschuldigde intresten minstens 2,5 EUR bedragen (art. 91, § 3 WBTW). Dezelfde regel geldt ook als u te laat of te weinig betaalt.

Nog vragen ?

Maak gebruik van ons gratis eerstelijnsadvies.

Stuur een e-mail Bel ons: 053/81.01.25

Delen